Opzegging tijdens proeftijd ingetrokken

Opzegging tijdens proeftijd ingetrokken

Het opnemen van een proeftijdbeding in een arbeidsovereenkomst is toegestaan als de overeenkomst langer duurt dan zes maanden. De proeftijd mag maximaal één maand bedragen als de arbeidsovereenkomst korter duurt dan twee jaar. Een proeftijd is alleen rechtsgeldig als deze schriftelijk is overeengekomen. Een proeftijd kan zelfs na het ingaan van de arbeidsovereenkomst overeengekomen worden. De periode wordt dan verkort met de tijd dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een duur van zeven maanden omvatte een proeftijdbeding. De eerste maand van de overeenkomst gold als proeftijd. De arbeidsovereenkomst was ingegaan op 1 mei 2019. Op 29 mei 2019 ontving de werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Op 30 mei 2019 deelde de werkgever de werknemer schriftelijk mee dat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van het overeengekomen proeftijdbeding per direct werd beëindigd. De werknemer bestreed de geldigheid van het proeftijdbeding in een procedure bij de kantonrechter. Opmerkelijk was dat de werknemer na de opzegging nog heeft gewerkt voor de werkgever op 30 mei en 2 juni. Voor 3 juni was de werknemer ingeroosterd voor werk, maar heeft hij zich ziekgemeld. De ziekmelding is door de werkgever geaccepteerd.

De kantonrechter oordeelde dat het proeftijdbeding rechtsgeldig was. Dat oordeel was gebaseerd op de ondertekening door de werknemer van de pagina met de essentialia van de arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst binnen het geldende proeftijdbeding beëindigd. Omdat de werknemer daarna nog heeft gewerkt, ging de kantonrechter ervan uit dat de werkgever het tijdens de proeftijd gegeven ontslag heeft ingetrokken. De kantonrechter heeft de gevraagde vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst toegewezen. De werkgever moest het salaris van de werknemer over de resterende periode van de arbeidsovereenkomst betalen. De salarisbedragen zijn door de kantonrechter verhoogd met de wettelijke verhoging wegens te late betaling en met de wettelijke rente.

Aan transitievergoeding gelijkwaardige cao-voorziening

Aan transitievergoeding gelijkwaardige cao-voorziening

Bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. De werkgever hoeft echter geen transitievergoeding te betalen wanneer in de geldende cao een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening is getroffen.

In een procedure voor Hof Den Bosch was in geschil of de in de cao opgenomen voorziening bij ontslag gelijkwaardig was aan de transitievergoeding. De ontslagen werkneemster had in aanvulling op het recht WW op grond van de cao aanspraak op een bovenwettelijke uitkering, een aansluitende uitkering en een extra aansluitende uitkering. Het totaal van deze voorzieningen kon oplopen tot 3,5 keer de hoogte van de transitievergoeding. Het hof was van oordeel dat de in de cao opgenomen voorzieningen gelijkwaardig zijn aan de wettelijke transitievergoeding. Het feit dat de werkgever in het kader van een minnelijke regeling aan de werkneemster en haar directe collega’s heeft aangeboden een transitievergoeding te betalen, welke regeling door de collega’s wel en door de werkneemster niet is geaccepteerd, maakt volgens het hof niet dat de voorzieningen uit de cao niet gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding zijn.

Hoge transitievergoeding bij ontbinding contract arbeidsongeschikte werknemer kort voor pensioendatum

Hoge transitievergoeding bij ontbinding contract arbeidsongeschikte werknemer kort voor pensioendatum

De kantonrechter in Rotterdam heeft in kort geding een werkgever veroordeeld om de arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer te ontbinden en de werknemer een transitievergoeding te betalen van € 81.000. Het dienstverband zou op grond van de geldende cao van rechtswege eindigen bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De uitspraak van de kantonrechter is twee weken voor die datum gedaan. Het dienstverband heeft ruim 50 jaar geduurd.

De uitspraak is een direct gevolg van het recente arrest van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat de werkgever niet handelt als een goede werkgever wanneer hij niet ingaat op een verzoek tot ontbinding van een slapend dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding. De omstandigheid dat de werknemer bijna de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, is volgens de Hoge Raad geen reden om de arbeidsovereenkomst in stand te houden.

Opmerkelijk in deze casus is dat de werknemer nog maar korte tijd recht had op een WIA-uitkering, namelijk met ingang van 25 maart 2019. Met het oog op de invoering van de Wet compensatie transitievergoedingen per 1 april 2020 gunde de kantonrechter de werkgever wel de tijd tot 1 juli 2020 om de transitievergoeding te betalen.

Uitleg relatiebeding

Uitleg relatiebeding

De vrije arbeidskeuze is een belangrijk recht van de werknemer. Bedingen, die de werknemer beperken in zijn keuze voor een andere werkgever, zoals een concurrentie- of een relatiebeding, moeten daarom schriftelijk worden overeengekomen. Gebeurt dat niet, dan is de werknemer niet aan het beding gebonden. Op overtreding van een concurrentie- of relatiebeding staat vaak een forse boete.

De arbeidsovereenkomst van een werknemer bevatte een relatiebeding. Op grond van dit beding was het de werknemer niet toegestaan om binnen een jaar na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst in dienst te treden bij een klant van de werkgever. Op overtreding van het relatiebeding stond een boete van € 25.000.

De kantonrechter legde het relatiebeding zo uit, dat het de werknemer verboden was om na beëindiging van de arbeidsovereenkomst zaken te doen met het op dat moment bestaande klantenbestand van de werkgever. De door de werkgever bepleite uitleg, dat het de werknemer verboden was om zaken te doen met relaties waarmee de werkgever ten tijde van het dienstverband ooit een klantrelatie heeft onderhouden, ging de kantonrechter te ver. Bij een beperkend beding zoals een relatiebeding moet het voor een werknemer duidelijk zijn waartoe hij zich verbindt. Dat ligt besloten in de wettelijke eis van schriftelijke vastlegging van een beperkend beding.

De werkgever had alle lopende overeenkomsten met klanten enige tijd voor de datum van uitdiensttreding van de werknemer overgedragen aan een dochtervennootschap. Ten tijde van het aangaan van het relatiebeding bestond de dochtermaatschappij nog niet. De klantrelaties van de dochtermaatschappij vielen niet onder de reikwijdte van het relatiebeding. De kantonrechter wees daarom het beroep van de werkgever op het relatiebeding af. In hoger beroep heeft Hof Den Bosch het oordeel van de kantonrechter bevestigd.

Verzoek gedeeltelijke transitievergoeding te laat ingediend

Verzoek gedeeltelijke transitievergoeding te laat ingediend

In de zogenaamde Kolombeschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder omstandigheden een werknemer bij een gedeeltelijk ontslag recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. De Hoge Raad overwoog in deze beschikking onder meer dat de wet niet voorziet in gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, aangezien een arbeidsovereenkomst slechts in haar geheel kan worden opgezegd of ontbonden. Bij de regeling van de transitievergoeding is bij dit wettelijk stelsel aangesloten en is een transitievergoeding alleen verschuldigd als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De Hoge Raad is van oordeel dat bij een door omstandigheden gedwongen substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd de werknemer recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding.

Hoewel de wettelijke regeling de gedeeltelijke transitievergoeding niet kent, is Hof Den Bosch van mening dat voor het overige de wettelijke regeling wel van toepassing is. Dat betekent dat de vervaltermijn van drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd voor de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen van kracht blijft. De transitievergoeding waarop een werknemer op grond van de Kolombeschikking in bepaalde gevallen aanspraak kan maken is volgens het hof geen andere dan de transitievergoeding als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad heeft in de Kolombeschikking geen zelfstandige grondslag voor de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding heeft gecreëerd, maar een uitleg gegeven van de wettelijke regeling.

In de door het hof behandelde zaak was de arbeidstijd van de werknemer met ingang van 25 april 2017 verminderd. De bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot een transitievergoeding voor het deel van de arbeidsovereenkomst dat is geëindigd, verviel drie maanden later, dus op 26 juli 2017. Het verzoekschrift is op 12 december 2018 ontvangen door de griffie van de rechtbank. Het hof was van oordeel dat het beroep van de werkgever op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

Het hof heeft de werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot een gedeeltelijke transitievergoeding, omdat dit verzoek niet is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst (gedeeltelijk) is geëindigd.

Conceptwetsvoorstel invoering minimumtarief zelfstandigen

Conceptwetsvoorstel invoering minimumtarief zelfstandigen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een conceptwetsvoorstel ter invoering van een minimumtarief voor zzp’ers ter consultatie gepubliceerd. Belanghebbenden kunnen reageren op het conceptwetsvoorstel, waarna een definitief wetsvoorstel aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd.

Het minimumtarief is bedoeld om de positie van zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verbeteren. Het minimumtarief moet de zelfstandige in staat stellen om ten minste netto het sociaal minimum te verdienen. Voor zelfstandigen aan de bovenkant van de arbeidsmarkt komt er een zelfstandigenverklaring. De bedoeling van deze verklaring is om opdrachtgevers en -nemers op voorhand de zekerheid te geven dat hun arbeidsrelatie geen dienstbetrekking is voor de loonbelasting en premieheffing werknemersverzekeringen. De zelfstandigenverklaring geldt niet voor fictieve dienstbetrekkingen.

Opmerkelijk is dat onder zelfstandige niet alleen de natuurlijke persoon zonder personeel wordt verstaan, maar ook een rechtspersoon met alleen de dga als werknemer. Een opdrachtnemer is geen zelfstandige als hij werknemers in dienst heeft, die meer dan acht uren voor de opdrachtnemer hebben gewerkt in de drie maanden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van opdracht.

Minimumtarief
Voor een zzp’er gaat een minimum arbeidsbeloning van € 16 per uur exclusief omzetbelasting gelden. Het minimumtarief is van toepassing als werkzaamheden worden verricht op basis van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst. Het minimumtarief geldt voor werkzaamheden die de zzp’er in Nederland verricht. Als de zzp’er werkzaamheden in het buitenland verricht, is het minimumtarief van toepassing als de zzp’er en zijn opdrachtgever in Nederland wonen of gevestigd zijn. Houdt de opdrachtgever zich niet aan de minimum arbeidsbeloning, dan kan hem een bestuurlijke boete worden opgelegd.

Het minimumtarief geldt ook voor rechtspersonen waarin slechts de dga werknemer is. Ook personen die werken in een fictieve dienstbetrekking worden als zelfstandige aangemerkt voor dit wetsvoorstel en vallen onder het minimumtarief. Het minimumtarief is het bedrag dat resteert per gewerkt uur na aftrek van de direct aan de opdracht toe te rekenen kosten. De verplichting om het minimumtarief te betalen geldt ook wanneer gewerkt wordt voor een particuliere opdrachtgever.

Zelfstandigenverklaring
Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen partijen schriftelijk en gedagtekend vast te leggen dat zij de zelfstandigenverklaring willen overeenkomen. Het KvK-nummer van de opdrachtnemer moet in de overeenkomst worden vastgelegd. De werkzaamheden op basis van de overeenkomst worden aangegaan voor maximaal een jaar. De overeenkomst moet worden getekend en in de administratie worden bewaard. De arbeidsbeloning bij toepassing van de zelfstandigenverklaring moet ten minste € 75 per uur bedragen. De opdrachtgever ontvangt van de opdrachtnemer een overzicht van de volgende gegevens:

  • het totaal te betalen bedrag, exclusief omzetbelasting;
  • de direct aan de opdracht toe te rekenen kosten en tijd. De kosten worden per maand uitgesplitst naar kosten van vervoer, materiaalkosten en overige kosten; 
  • de arbeidsbeloning per uur, met een minimum van € 75;
  • de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden.

Verplichtingen zelfstandige en opdrachtgever
Het conceptwetsvoorstel bevat een aantal verplichtingen waaraan zelfstandigen en hun (zakelijke) opdrachtgevers moeten voldoen.

De zelfstandige moet vooraf een inschatting verstrekken van de directe kosten en de te werken uren aan de opdrachtgever. Aan de hand van deze gegevens kan het uurtarief berekend worden. De zelfstandige moet tussentijds en na afloop van de opdracht een uren- en kostenoverzicht verstrekken. De opdrachtgever moet de hem verstrekte gegevens controleren. Als achteraf blijkt dat meer kosten en/of uren zijn gemaakt dan was ingeschat is de opdrachtgever verplicht om bij te betalen als het tarief anders onder het minimumtarief uitkomt.

De opdrachtgever moet bij het einde van de opdracht controleren of hij aan de verplichting om het minimumtarief te betalen voldoet. De beoordeling met onderliggende stukken en het bewijs van betaling moet de opdrachtgever in zijn administratie opnemen. Bij opdrachten langer dan een maand moet in beginsel per maand worden gefactureerd en betaald. Afwijking is mogelijk, mits schriftelijk vastgelegd en de factuurtermijn niet langer wordt dan drie maanden.

Inwerkingtreding
Het is de bedoeling dat het minimumtarief en de zelfstandigenverklaring per 2021 in werking treden.